Thuis
Toen we in Indonesië woonden, reisden we regelmatig als gezin naar een van de andere eilanden. We kennen ondertussen mensen op verschillende plekken van het enorme land en zochten ze graag even op. Nu we in Maleisië wonen, en Sophie naar school gaat, zijn we veel meer ‘gewoon’ thuis. In de vorige blog schreef ik over het verlopen van je paspoort, iets waar je veel meer bij bepaald wordt als je naar het buitenland verhuisd. Maar een van de grootste herkenningspunten van leven over de grens: is het grote uitzoek- en regelmatig stress-werk van ... visa’s. Om deze blog niet te saai of overdreven lang te maken, zal ik je de details besparen. Maar het aanvragen en uitzoeken van een visum is altijd weer een uitdaging. Op dit moment heeft precies de helft van ons gezin het befaamde papiertje met de juiste stempels en handtekeningen in zn paspoort. De andere helft dus nog niet. En daarom moeten we toch elke 3 maanden even het land uit, om daarna bij de grens weer een nieuwe stempel en daarmee toestemming te krijgen om 90 dagen te mogen blijven. Dat klinkt heel makkelijk, wat het in de meeste gevallen ook is. Maar die toestemming wordt toch niet altijd gegeven, wat het enorm zenuwslopend maakt.Wat helemaal niet saai is, is het ontdekken van nieuwe landen en plaatsen. Zo maakten we twee weken geleden met elkaar zo’n ‘verplichte’ visa-run, en reden we vanaf huis binnen anderhalf uur de grens over naar Thailand en nog weer twee uurtjes later waren we bij Hat Yai. Het was een kortere trip dan toen we naar Kuala Lumpur reden (om eventjes nieuwe paspoorten aan te vragen), en toch kwamen we in een volledig andere wereld. Het geld is er anders, de taal is anders en zelfs niet eens te lezen, het landschap en de wegen zijn anders, de religie is er anders en ondanks dat we ons al jaren thuis voelen in Azië voelden we ons ineens weer een vreemde.